Merkwaardige landschappen

Singelberg

Op de mote of motte (getuigenheuvel) Singelberg stond het vroegere kasteel van de Heren van Beveren. De eerste versterking stond op een mote van 6 meter hoogte. De eerste Heer van Beveren, Diederik (1120-1148), was hoogstwaarschijnlijk verantwoordelijk voor de aanleg van de mote waarop de eerste versterking stond. In 1158 werd deze verblijfsplaats afgebrand. In het begin van de 14e eeuw stond een grote versterkingstoren, een donjon, op de mote. In die periode was er ook een voorhof met gebouwen. Een valbrug zorgde voor een goede beveiliging. Op het einde van de 16e eeuw speelde het kasteel een voorname rol in het kader van "de Scheiding der Nederlanden". Op 17 augustus 1585 werd de overgave van Antwerpen op het kasteel van Beveren, hoofdkwartier van Alexander Farnese, getekend. Hoe het kasteel er in die tijd uitzag, weten we door de afbeeldingen en een aantal beschrijvingen. Daaruit blijkt dat het gaat om een zeer omvangrijk bouwwerk, met ruime vertrekken en verschillende torens. Gezien de aanhoudende oorlogstoestand wordt het kasteel herhaaldelijk gebruikt als logeerplaats voor soldaten. Mede daardoor raakt het kasteel stilaan in verval. In 1629 spreekt men voor de eerste maal over de ruïne van het kasteel. In 1652 werd het sterk vervallen kasteel afgebroken. Dan wordt de verkoop van het materiaal van het kasteel aangekondigd. Stenen en andere materialen worden gebruikt om ergens in Beveren bouwwerken te verrichten. Bij uitbreiding van de kerk van Verrebroek wordt zandsteen gebruikt, afkomstig van het kasteel. Nu rest nog enkel een mote van ongeveer 8 m hoogte en een doormeter van 60 meter. De site werd beschermd in 1975.

Stratenpatroon Doel

Doel dankt zijn ontstaan aan de indijkingen van de Schelde, in 1260 begonnen. Het dorp is een zeldzaam voorbeeld van urbanisatie: in 1614 werd heel de geometrische aanleg (dambordpatroon) op kaart vastgelegd en sindsdien is er niets meer aan gewijzigd. Drie straten lopen evenwijdig met de Scheldedijk en vier straten staan hier haaks op. Systematisch werden de gronden binnen de aldus ontstane kwadraten bebouwd, zodat thans van op de straat geen enkele tuin te zien is. Deze bereikt men echter langs steegjes en gangetjes die veelvuldig tussen de huizen zijn aangebracht en die in vroeger jaren d.m.v. een poortje voor de nacht afgegrendeld werden. Verschillende straten hebben een eindpunt dat de voormalige straatnaam bepaalde: pastorie, kerk, school. Het gemeenteplein vormt de enige open ruimte van het dorp.De dorpskom is ten oosten begrensd door de Schelde, langs de westkant door de Hooghuisstraat met kerk en Hooghuis.

Bunkerlinie

Na de val van de vesting Antwerpen op 10 oktober 1914, nam het Duitse Oppercommando de beslissing om op de linker Scheldeoever een verdedigingslijn op te richten om Antwerpen te beschermen. Het gebied ten noorden van Vrasene tot aan de Nederlandse grens kon ter verdediging onder water gezet worden. Men stond voor het probleem dat er nog een open terreinstrook zonder verdedigingswerken was tussen het fort Haasdonk en Vrasene. Dit werd opgelost door het bouwen van een bunkerlinie waarmee begin 1917 begonnen werd onder leiding van Duitse genietroepen, maar het waren vooral de opgeëiste burgerlijke werkkrachten die de bouwwerken uitvoerden. De eigenaars van de gronden waarop de bunkers gebouwd werden, ontvingen geen vergoeding. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de bunkers nooit op sympathie hebben kunnen rekenen bij de plaatselijke bevolking. Bovendien zijn de bunkers zo robuust dat ze moeilijk te verwijderen zijn.

De bunkerlijn op de linker Scheldeoever, zoals de Duitsers die reeds in de herfst van 1917 voltooiden, kan men indelen in drie intervallen: het eerste tussen de forten Steendorp en Haasdonk, het tweede tussen het fort van Haasdonk en de spoorweg Antwerpen-Gent en het derde tussen de spoorweg en de inundaties (onderwaterzettingen) van Vrasene (Broekstraat). Over een lengte van ongeveer 12,5 km werden in totaal 216 bunkers gebouwd. Er werden 11 modellen gebruikt, die in volgende hoofd categorieën werden ingedeeld en genoemd: schootsbunkers, troepenbunkers, waarnemingsbunker, magazijnbunkers en telefoonbunkers.

Alle gebouwen van de bunkerlinie zijn opgetrokken in gewapend beton, een relatief nieuw materiaal aan het begin van de twintigste eeuw. Ze dienden bescherming te verlenen aan personeel en materiaal tegen weersomstandigheden, bombardementen, invallen, ontschepingen van artillerie alsook het verhogen van de densiteit van artillerie nabij kwetsbare plaatsen. De gerealiseerde Duitse verdedigingslijn bestond uit drie opeenvolgende lijnen over een totale diepte van 400 tot 500 meter. In de eerste lijn zijn de schuilkelders het talrijkst. Daar werden tevens mitrailleurs en licht geschut ondergebracht. Daarachter zijn er betonnen commandoposten, hulpposten, telefooncentrales en waarnemingsposten.
In de diepte liggen er nog steunpunten voor de infanterie- en batterijstellingen en magazijnen. Algemeen kan aangenomen worden dat enkel commandoposten van hogere echelons volledig bomvrij dienden te zijn. Voor de meeste schuilplaatsen volstond een dekking tegen kaliber van 12-15 cm of bescherming tegen veldartillerie. Kleine schuilplaatsen konden bij (bijna) voltreffers in de grond gedreven worden, omkantelen of ‘onderschoten’ worden. Bijgevolg werden de bunkers niet op maar in het terrein gebouwd. De hoeken die in de richting van de vijand wezen, werden afgerond om treffers te doen afschampen. De wanddikte aan de blootgestelde zijden bedroeg 1 m, de andere zijden waren 50 cm dik. De dikte van de dakbedekking varieerde tussen 60 en 80 cm. De vloer had een dikte van 50 cm. In het plafond werden ijzeren balken verankerd, veelal spoorrails met tussenin ijzeren golfplaten, om te beletten dat er bij een beschieting losgekomen stukken beton zouden vallen. De binnenhoogte varieerde van 1,4 tot 1,9 m. Ze kwamen nauwelijks boven het maaiveld uit en waren langs drie zijden omgeven door grond. De zichtbare zijde is eigenlijk de achtergevel. De in- en uitgang was steeds achteraan, aansluitend op het loopgrachtensysteem dat de verschillende bunkers onderling verbond. Alle openingen konden afgesloten worden door metalen luiken of deuren. Deze werden door de Duitsers in Wereldoorlog II weggehaald. De wapenstilstand van 11 november 1918 maakte een einde aan WO I. Het kwam dus nooit tot gevechten aan de bunkerlinie.

Na de oorlog namen de plaatselijke boeren hun akker weer ingebruik. De bunkers werden gedeclasseerd als verdedigingswerk, maar zij bleven nog in militaire handen. Onder druk van de steeds grotere Duitse dreiging op het einde van de jaren dertig werden de bunkers op de Scheldeoevers in het globaal verdedigingsplan van de Belgische militaire overheid opgenomen. De bunkers op de linker Scheldeoever kwamen hiervoor niet meer in aanmerking: zij waren westwaarts gericht, terwijl de dreiging vanuit het oosten kwam. Midden 1944 lieten de Duitsers alle ingangen en openingen van de bunkers dichtmetselen, uit vrees dat zij bij een geallieerde luchtlandingsoperatie onderdak zouden bieden aan parachutisten of weerstanders. Toen in oktober 1944 de beschieting van Antwerpen met de Duitse V1's en V2's begon, kwamen veel van deze tuigen ook op de linkeroever terecht. Vele eigenaars maakten hun dichtgemetselde bunker opnieuw open en brachten er de nacht door. Aldus boden Duitse bunkers bescherming tegen Duitse bommen.

Vanaf de jaren '60 moesten de bunkers wijken voor de bouw van nieuwe woonwijken. Ze werden ondergegraven en zakten door hun eigen gewicht verder weg onder de grond. De Duitse Bunkerlinie te Vrasene werd omwille van zowel de militaire als de bouwhistorische waarde beschermd als monument. Ze benadrukt de grote symbolische en militaire waarde die Antwerpen en zijn haven hadden tijdens de beide wereldoorlogen.